Erfenis uit een rijk verleden (3)

In de vroege oudheid besloten de oude Wijzen van Egypte het Godsbegrip -waarin duidelijk het geloof aan één God, één Oorsprong vaststond- onder te verdelen in een aantal begrippen en uitingen die vooral de Goddelijke veelzijdigheid moesten uitdrukken.            Zij noemden deze aparte op zichzelf staande eigenschappen NETERS. Om deze karaktereigenschappen of uitingen uit te diepen en duidelijk te maken aan het ongeletterde volk, gaven zij deze Neters de eigenschappen en uitdrukkingsvormen van dieren, aangezien dieren statisch zijn en practisch niet veranderen in de loop der
tijd. Bovendien waren dieren ook van Goddelijke oorsprong en hadden hun eigen
plaats binnen het Goddelijk Concept. De Egyptische Goden waren de intermediairs
tussen de oorspronkelijke God en de mensen, ze dienden om de afstand tussen God
en zijn schepping te overbruggen.

Farao Achnaton (Amenhothep IV) wilde het uiterlijke monotheïsme vorm geven in de gestalte van de zonnegod Ra, doch deze wereldvreemde heerser moest het onderspit delven tegen een machtige priesterkaste.

Maar al lang vóórdat Farao Achnaton het ogenschijnlijke veelgodendom probeert te bestrijden, is het begrip monotheïsme terug te vinden binnen een stroom van teksten die de Ingewijden doorgaven binnen de heiligdommen van de Mysteriescholen bij zekere tempels, zoals die van Heliopolis en Memphis. Het  filosofisch basisbegrip was een ENIGE GOD die de wereld schiep door zijn Woord en het Leven opriep in al zijn vormen. Dit begrip was verborgen in het onderwijs van de verschillende scholen onder de dikwijls vreemde vormen van de ontelbare Godheden van het Egyptische Pantheon.

De Egyptische godsdienst benaderen is binnenstappen in een wereld van opmerkelijke rijkdom, maar ook van opmerkelijke ingewikkeldheid. Wij staan voor een enorme hoeveelheid aan rituelen, manifestaties en Neters, die onder hun dierlijke verschijningsvorm een diepe reflectie en een wijsheid verbergen, waarin zowel het volksgeloof als de enorme kennis van de Ingewijden is vastgelegd.

Het Egyptische geloof is gebaseerd op het absolute geloof, op de zekerheid van het EEUWIGE LEVEN en leert, dat God niet de God der doden is, maar de God der levenden. In dit opzicht is het Egyptische DODENBOEK zeer beduidend. De vertaling van deze titel is zo veelzeggend, omdat de juiste titel “De hoofdstukken over de Uitgang naar het Licht” was. Dit boek is in werkelijkheid een leerboek over het leven van de mens en zijn plaats in verhouding tot het Kosmische, waar het referentiebeeld de Zon is, de bron van al het stoffelijk leven.

De manier van kennisoverdracht binnen de Egyptische Mysteriescholen geschiedde uitsluitend middels tempelritualen en natuurwetenschappelijke experimenten.   Vele Griekse filosofen behoorden tot de Ingewijden van deze oude Egyptische Mysteriescholen en gaven hun aldaar opgedane kennis door aan hun leerlingen. Kennis die tot op vandaag de dag gelukkig voor een groot deel bewaard is gebleven en langzaam aan weer prijs gegeven wordt. Dit proces is moeizaam op gang gekomen.

De kennis van de Egyptenaren was enorm: zo kenden zij b.v. al de elektriciteit voor medische doeleinden.  De Egyptenaren bezaten bovendien al kennis van onze bloedsomloop. Toen de Rozekruiser-arts  William Harvey (1578-1657) met deze theorie naar buiten kwam, nadat hij zelf proefondervindelijk deze kennis op z’n juistheid had onderzocht, werd hij doorzijn collegae binnen de medische stand -in figuurlijke zin- neergesabeld en verguisd.

De Rozenkruiserfilosoof Albert Einstein werd op het juiste spoor gezet van de
kwantum-mechanica en kon zijn relativiteitstheorie verder uitwerken nadat hij de grondbeginselen daarvan gevonden had in de bewaard gebleven archieven van de Egyptische mysteriescholen.

Helena Petrovna Blavatsky (1831-1891) was een Russisch-Duitse Theosofe, die in 1875 -samen met kolonel Olcott- de Theosofische Vereniging oprichtte.  In de ruimste zin kan men de Theosofen ook als leerlingen en zoekers naar eeuwige waarden beschouwen. Madame Blavatsky (zoals iedereen haar noemde en nog steeds noemt) schreef onder meer ‘De Geheime Leer’, ‘Sleutel tot de Theosofie’ en ‘Isis Ontsluierd’. In deze boeken is een enorme hoeveelheid geheime kennis bijeengebracht van de Oosterse Adepten, maar ook de grondslagen van het geheime onderricht van Heliopolis en Memphis. Zij ‘verantwoordt’ haar publicaties met:

“Het is de bedoeling strikt rechtvaardig te zijn zonder haat of vooroordeel. Doch het betoont noch genade aan ten troon geheven dwaling, noch eerbied voor aangematigd gezag.  Het vraagt voor een beroofd verleden díe waardering wat daarin is tot stand gebracht, die maar al te lang daaraan is onthouden. Het eist teruggave van geleende veren en rechtvaardiging van belasterde, doch roemrijke reputaties. Op geen enkele godsdienstvorm, geen enkel godsdienstig geloof, geen enkele wetenschappelijke onderstelling is de kritiek in andere geest uitgeoefend.
Mensen en partijen, sekten en scholen zijn ware ééndagsvliegen in het leven der
wereld. De WAARHEID hoog gezeten op haar diamanten rots alleen is eeuwig en
goddelijk.

Wij geloven niet in een magie, die de omvang en het vermogen van de menselijke geest te boven gaat, evenmin in ‘wonderen’, hetzij goddelijke of duivelse, indien deze wonderen een overtreding veronderstellen van de natuurwetten die in alle eeu­wigheden bestaan hebben…..”

Geraadpleegde literatuur:

  • Lesmateriaal AMORC academie en de ARCANE School,
  • Egyptian Mythology, Paul Hamlyn
  • Goden, Graven en Geleerden van C.W. Ceram
  • Isis ontsluierd en de Geheime Leer van H. Blavatsky
  • Eigen aantekeningen van studies

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s